Column: ‘Darwin in de stad’ Naturalis After Dark (22/05/2018)

Voor onderstaande column droeg ik voor op Naturalis After Dark naar aanleiding van het verschijnen van de Nederlandse vertaling van Darwin comes to Town (2018) Darwin in de stad – evolutie in de urban jungle, geschreven door Menno Schilthuizen.

Life in the Fast Lane

In de nazomer van 1835 begint de HMS Beagle aan de lange terugreis naar Groot-Brittannië. De eerste halte vanaf de Zuid-Amerikaanse kust is de Galapagosarchipel. Aangezien deze eilanden ter hoogte van de evenaar liggen, verwacht de scheepsbemanning een tropisch paradijs vol smakelijke vruchten en schaars geklede vrouwen. Maar de realiteit valt vies tegen. Volgens Charles Darwin doet het zwarte lavalandschap van Chatham Island denken aan de industriesteden zoals Stoke-on-trent in de Britse graafschap Staffordshire. De rokende kraters lijken op de schoorstenen van de hoogovens en de poreuze lavabrokken waarmee het strand bezaaid is, herinneren Darwin aan de metaalslakken en ander afvalmateriaal van de smeltovens.

Darwin kon niet bevroeden dat er naast uiterlijke overeenkomsten nog meer gelijkenissen zijn tussen de Galapagosarchipel en een industriële metropool. De soorten die beide locaties herbergen, leven een verweesd bestaan in een geografisch geïsoleerd gebied. In de klassieker Moby Dick (1851) dragen de Galapagoseilanden de bijnaam Los Huerfanos (de weeskinderen) omdat ze ver van het moedercontinent liggen, omgeven door een uitgestrekte oceaan. Hoewel de afstand tussen een industriestad en het achterland hemelsbreed minder groot is, kan de zee van asfalt die haar omringt even meedogenloos zijn. Elk organisme dat een stad betreedt, staat een 3D-versie van het antieke arcadespel Frogger te wachten, waarin een pixel-kikker met gevaar voor zijn virtuele leven het stadsverkeer trotseert door over drukke rijstroken te huppen in de hoop niet geschept te worden. En de golven van rubberbanden zijn slechts de eerste horde in het stedelijke obstakelparcours.

Maar de belangrijkste overeenkomst tussen een stad en een eilandenarchipel is nog niet genoemd: beide blijken een ideale broedplaats voor evolutie. Zoals de zee-engtes tussen verschillende eilanden in een archipel zorgen voor fragmentatie van dier- en plantpopulaties, zien we in steden deze verkaveling dankzij een web van wegen en andere obstakels. Daarbij komt dat eilandleven evenals stadsleven bijzonder zwaar is. Zoals Bob Marley zingt in zijn ode aan het betonnen oerwoud: ‘Concrete jungle, where life is harder!’ In de strijd om het bestaan moeten geïsoleerde populaties niet alleen het hoofd bieden aan de barre omstandigheden maar ook wedijveren met medebewoners. De versnippering van flora en fauna, gevolgd door een niet aflatende strijd om het bestaan, werken aanpassingen aan lokale omstandigheden en uiteindelijk soortvorming in de hand. Ook in het urbane abattoir geldt het adagium adapt or die.

En stadsnatuur heeft ook te kampen met een andere geduchte vijand: de mens. Niet alleen houden stedelingen je argwanend in de gaten, maar zodra je enig succes boekt of ze voor de voeten loopt slaat argwaan al snel om in bestrijding. Plantsoendiensten en verdelgingsteams staan paraat om paal en perk te stellen aan de opmars van stadsnatuur. Zelfs de planten en dieren die mensen zelf introduceren, zijn hun bestaan niet zeker. Zolang je de mens kan bekoren ben je veilig, maar wee je gebeente als blijkt dat je goed je eigen boontjes kan doppen. Voor je het weet krijg je het stempel ongedierte, onkruid of nog erger: invasieve exoot. Dan val je evenals de Japanse duizendknoop of de Indische halsbandparkiet ten prooi aan ecologische vreemdelingenhaat.

De evolutie die zich voltrekt voor ons vensterraam is lange tijd onopgemerkt gebleven. Het boek Darwin in de stad – evolutie in de urban jungle (2018) van Menno Schilthuizen laat zien dat het evolutionair onderzoek naar stadsnatuur pas recent een vlucht neemt. Een belangrijke reden voor deze vertraging ligt besloten in de woorden uit de ondertitel: ‘urban jungle’. Evenals het woord ‘stadsnatuur’ lijkt het ‘urbane oerwoud’ een contradictio in terminis. De woorden sluiten elkaar uit. De stad is van oudsher het toonbeeld van kunstmatigheid en ordentelijkheid dat zich afzet tegen de ongerepte en ordeloze wildernis buiten de bebouwde kom. De semantische kloof die gaapt tussen ‘stad’ en ‘natuur’ wordt geïllustreerd door Darwins bulldog en Britse bioloog Thomas Huxley. Hij typeert de stad als state of art geopponeerd aan de state of nature. De stad is een bastion van waaruit de mens zich verzet tegen het kosmische proces van natuurlijke selectie.

Huxley beschrijft de stad als een plek waar de menselijke macht over de natuur zich manifesteert. Toch blijkt al snel hoe beperkt die macht is. De wildernis ligt niet alleen ver voorbij de stadspoorten, maar strekt haar tentakels uit tot in het stadshart. Overal vertoont de stad kieren en gaten waar verschillende levensvormen welig tieren. Denk aan de paardenbloem die slechts een kleine kier in het asfalt behoeft om zijn bladrozet uit te spreiden. In Verborgen wildernis (2010) schrijft auteur Kester Freriks niet alleen over ‘ongerepte’ natuurgebieden in Nederland maar ook over een stukje stadswildernis in het hart van Amsterdam. De Mokumse stadswijk die tegenwoordig de Wallen heet stond in de negentiende eeuw bekend als ‘Vanderwildernisse’. Een sloppenwijk met een wirwar van donkere stegen met haar eigen bijzondere biodiversiteit. Dit stukje terra incognita had een onweerstaanbare aantrekkingskracht op talloze dieren: kroegtijgers, zwerfkaters, stoeipoezen, beunhazen, zondebokken en waterratten.

In de negentiende en de loop van de twintigste eeuw beginnen de begrippen ‘stad’ en ‘natuur’ langzaam maar zeker in elkaar over te lopen. Biologen krijgen oog voor de uiteenlopende manieren waarop organismen hun omgeving manipuleren ten gunste van hun eigen overleven. Denk bijvoorbeeld aan zorgvuldig gehaakte nesten van wevervogels of de lemen bouwsels van metselwespen. Zelfs op microscopische schaal manipuleren levensvormen hun Umwelt. Neem bijvoorbeeld de amoebe Difflugia corona die een bolvormige woning vervaardigt uit minuscule zandkorrels en deze voorziet van stekels. Naast uitzonderlijke bouwmeesters blijken verscheidene dier- en plantensoorten zelfs in staat om op te treden als zogeheten ecosysteem ingenieurs. Een passend voorbeeld is de bever. In 2007 ontdekt ecoloog Jean Thie het grootste beverbouwwerk ter wereld, in de Canadese staat Alberta. Aan de zuidelijke rand van Wood Buffalo National Park ligt een beverdam met een lengte van maar liefst 850 meter, tweemaal de lengte van de Hoover Dam.

De belangrijkste filosofische les die wij kunnen trekken uit Darwin in de stad (2018) en het nieuwe vakgebied stadsevolutiebiologie is dat er niets on- of tegennatuurlijks is aan de stadsbiotoop. De gedachte aan de natuur als mensvrije wildernis ver buiten de stadsgrenzen is een romantische fata morgana die nog altijd ons denken bedwelmt. Dit is geen poging om de menselijke invloed op de natuur te bagatelliseren. Ontegenzeggelijk is de menselijke impact op de wereld immens, vooral nu onze dichtbevolkte beverburchten planetaire proporties aannemen. Niettemin is ook de stedeling te midden van een oerwoud van glas, staal en steen onlosmakelijk verbonden met de natuur.

IMG_7761

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>